Huis B

De GIW is ontstaan vanuit de vaststelling dat een aantal kinderen/jongeren een zorgvraag hadden waarop met de bestaande zorgverleningsvormen geen afdoend antwoord kon geboden worden.

De bestaande zorgverleningsvormen waren :

  • Een gecoördineerde werking, waarbij een cliënt deel uitmaakt van twee of meer milieusystemen, waaronder de klasgroep en de internaats- of semi-internaatsleefgroep. In deze milieus komt de cliënt in aanraking met verschillende begeleidingsteams. Men vertrekt in de verschillende teams voor het bepalen van de begeleidingslijnen op basis van hetzelfde algemeen individueel handelingsplan, en er wordt op geregelde tijdstippen informatie uitgewisseld tussen alle betrokkenen. Toch is het eigen aan de werking dat er een variëteit voorkomt in begeleidingsstijlen, activiteiten, regels en gewoonten e.d. Daarnaast is de werking voornamelijk toegespitst op de begeleiding van de groep, uiteraard met individuele differentiatiemogelijkheden.
  • Een werking voor niet-schoolgaanden, waarbij de zorgvraag van de cliënt maakt dat het begeleidingsaanbod vertrekt vanuit het individu. Het groepselement verdwijnt hier volledig naar de achtergrond. De cliënt vertoont een ernstig meervoudige handicap met beperkte ontwikkelingskansen. giw2

Een aantal kinderen en jongeren hadden moeite om te functioneren in de gecoördineerde werking, maar hadden tegelijk ook geen specifieke nood aan een individuele, zorgintensieve begeleiding als niet-schoolgaande. Als antwoord hierop ontstond, vanuit de praktijk waarin leerkrachten van het secundair onderwijs en opvoeders van het D-huis naar nauwere samenwerkingsverbanden zochten, de geïntegreerde werking. Vanaf 1999 werd de geïntegreerde werking een aparte werking binnen de minderjarigenzorg. De belangrijkste doelstelling was het creëren van een duidelijk en voorspelbaar leef- en leermilieu, zowel op ruimtelijk vlak als op vlak van begeleiding en aanpak.

Aangezien een minderjarigenzorg een zeer dynamisch gegeven is, is de doelgroep doorheen de jaren gewijzigd en daarop volgend ook de organisatie en werking van de geïntegreerde werking. De wijziging van doelgroep heeft volgende aanpassingen met zich meegebracht: wijziging van aantal klassen lager onderwijs (BLO) en secundair onderwijs (BuSO), aanpassing van de deelname van opvoeders aan klasactiviteiten en de deelname van leerkrachten aan verzorgingsactiviteiten en aanpassing van overlegstructuren.

Het huidige doelpubliek van de geïntegreerde werking, de open plaatsen en bovenstaande bewegingen, hebben geleid tot een nieuw concept van de geïntegreerde werking waarmee in september 2008 gestart werd.

Basisbegeleidingsaanbod

De basisprincipes van de GiW zoals we ze tot nu toe kenden blijven bestaan en zijn de volgende:

  • Het samenvoegen van leef- en leersituaties tot één duidelijk en voorspelbaar milieu: klas en leefgroep gaan door in dezelfde ruimte
  • Het bieden van een basisklimaat van rust, duidelijkheid en warmte
  • Het nastreven door elke begeleider van gemeenschappelijke doelstellingen
  • Het aanbieden van ontwikkelingskansen in levensechte situaties: leertaken in het dagelijkse leven
  • De tegemoetkoming aan de individuele zorgvragen

Deelwerkingen

Deelwerking 1: geïntegreerde werking – autigroepen

Doelgroep en criteria: Ernstige verstandelijke handicap en autisme of vermoeden van autisme (1 BLO-klas en 1 BuSO-klas).

Het gaat om kinderen en jongeren met een ernstige verstandelijke handicap en autisme, die door hun problematiek moeilijkheden ondervinden om zich aan te passen aan de verschillende milieusystemen. Ze hebben nood aan één overzichtelijk en eenvoudig milieu, waarin er zo weinig mogelijk breuken voorkomen in ruimte en tijd met betrekking tot begeleidingsstijl en aard van activiteiten. Zij hebben een grote nood aan duidelijkheid, een rustiger tempo en zo min mogelijk overgangen. Ontwikkelen is mogelijk, maar omwille van transferbeperkingen dient het leren te gebeuren tijdens dagdagelijkse leefsituaties. Deze cliënten hebben geen nood aan een volledig geïndividualiseerd begeleidingsaanbod, maar kunnen als individu functioneren naast andere individuen, mits de nodige aanpassingen in functie van hun specifieke zorgvraag.

Doelstelling

Vanuit het zich rustig en veilig voelen door de voorspelbaarheid in ruimte, tijd en begeleiding, zal het kind/ de jongere minder probleemgedrag vertonen en kan de openheid ontstaan tot verdere sociaal-emotionele groei en tot het leren van functionele (deel)vaardigheden.

Methodiek

Doorgedreven structuur en auti-aanpak.

Referentiekader: auti-aanpak.

Deelwerking 2: geïntegreerde werking - actiegroep

Doelgroep en criteria: Ernstige verstandelijke handicap en gedragsproblemen (grens BLO-BuSO wordt opgeheven).
Criteria:
  • Ernstige gedragsproblemen zijn gedragsproblemen die niet worden opgelost door het bieden van meer duidelijkheid, rust en structuur. Het zijn dus gedragsproblemen die niet ondervangen kunnen worden door een specifiek aanbod in klas en leefgroep.
  • Nood aan extra individuele begeleiding om tot activiteit te komen.
  • Nood aan prikkelarme ruimtes. Niet voor bepaalde momenten, maar doorheen de hele dag.
  • Geen groepsinteracties aankunnen.
  • Leerkansen worden zodanig overschaduwd door het gedrag dat deze op de tweede plaats komen.
  • Niet aankunnen van buitenhuisactiviteiten tenzij onder individuele begeleiding.
Doelstelling

Het structureren van de leefomgeving van de persoon met een ernstige verstandelijke handicap, opdat deze zich in die omgeving veilig voelt, die omgeving kan beïnvloeden en zich daarin optimaal kan ontplooien. Door middel van een gestructureerde leefomgeving en een geïndividualiseerd aanbod willen we ervoor zorgen dat de gedragsproblemen het leven van de cliënt niet meer beheersen. Het groepselement verdwijnt hier volledig naar de achtergrond.

Methodiek

Vertaling van deze noden in een gepast begeleidingsaanbod leidt tot volgende kenmerken :

  • Het bieden van een individueel aangepast programma
  • Gerichte activiteiten in minigroepjes van ongeveer drie cliënten

Concreet betekent dit dat we willen afstappen van een gezamenlijk klasprogramma dat voor alle leerlingen gezamenlijk wordt uitgevoerd. Uitgangspunt is het aanbieden van een individueel activiteitenaanbod waarbij de cliënten individueel worden begeleid. Vertrekkend vanuit de groepssituatie betekent dit dat er gerichte activiteiten worden voorzien voor de cliënten, meestal begeleid door de leerkracht. Afhankelijk van het soort activiteit is dit individueel, per twee of in kleine groep. De andere cliënten zijn aanwezig in de leefgroep, onder begeleiding van een begeleidster, in de meeste gevallen de opvoeder. Op die momenten wordt geen gerichte activiteit voorzien. Door over te schakelen op deze manier van werken zal het aantal activiteiten voor de cliënten dalen, maar beogen we de kwaliteit van de activiteit te verhogen. Hiermee komen we tegemoet aan de noden van deze cliënten die slecht een beperkt aantal eisen aankunnen. Bij het opstellen van het programma, willen we elke cliënt minsten twee aangepaste activiteiten per dag aanbieden, waarvan één activiteit een bewegingsactiviteit is.

De organisatie van deze groep gebeurt vanuit het BuSO. Leerkrachten en therapeuten werken in dienst van het BuSO.

Essentieel in het aanbod van deze cliënten is een aangepaste infrastructuur. Deze infrastructuur moet het mogelijk maken om de cliënt zijn vrijheid te bieden op een manier dat het zowel voor de cliënt als de omgeving veilig is.

Referentiekader

Voor het werken met deze doelgroep is de methodiek van Heijkoop aangewezen. In de toekomst wordt verder bekeken hoe deze kan toegepast worden.

giw1

Deelwerking 3: geïntegreerde werking – stimulatiegroep

Doelgroep en criteria: Diep verstandelijke handicap (grens BLO-BuSO wordt opgeheven): zowel cognitief als sociaal- emotioneel functioneren deze cliënten op een niveau onder de twee jaar. Omwille van hun niveau is voor hen het aankunnen van een leven in groep en een aanbod in groep, niet mogelijk en hebben zij baat bij een geïnvidualiseerd programma. Ook hier zal vaak een combinatie met autisme voorkomen.

Doelstelling

Het aanbieden van een rustige, veilige en voorspelbare omgeving moet deze cliënten de mogelijkheid geven het leven op hun tempo te leiden. Het groepselement verdwijnt hier volledig naar de achtergrond.

Methodiek

Vertaling van deze noden in een gepast begeleidingsaanbod leidt tot volgende kenmerken :

  • Het bieden van een individueel aangepast programma
  • Gerichte activiteiten in minigroepjes

Concreet betekent dit dat we willen afstappen van een gezamenlijk klasprogramma dat voor alle leerlingen gezamenlijk wordt uitgevoerd. Uitgangspunt is het aanbieden van een individueel activiteitenaanbod waarbij de cliënten individueel worden begeleid. Vertrekkend vanuit de groepssituatie betekent dit dat er gerichte activiteiten worden voorzien voor de cliënten, meestal begeleid door de leerkracht. Afhankelijk van het soort activiteit is dit individueel, per twee of in kleine groep. De andere cliënten zijn aanwezig in de leefgroep, onder begeleiding van een begeleidster, in de meeste gevallen de opvoeder. Op die momenten wordt geen gerichte activiteit voorzien. Door over te schakelen op deze manier van werken zal het aantal activiteiten voor de cliënten dalen, maar beogen we de kwaliteit van de activiteit te verhogen. Hiermee komen we tegemoet aan de noden van deze cliënten die slechts een beperkt aantal eisen aankunnen. Bij het opstellen van het programma, willen we elke cliënt minstens twee aangepaste activiteiten per dag aanbieden, waarvan één activiteit een bewegingsactiviteit is.

De organisatie van deze groep gebeurt vanuit het BLO. Leerkrachten en therapeuten werken in dienst van het BLO. Referentiekader: Deze werking zal vertrekken vanuit een zeer basaal begeleidingsaanbod.